User Tools

Site Tools


ran

Rán

Vrouw van AEgirs. Ze bezit een net waarmee ze dode zeelieden vist (SnE. ii, 51). Dit net leent ze uit aan Loki die daarmee de dwerg Andvari wil vangen (proza-inleiding bij het gedicht Reginsmál [Het lied van Regin]). ‘Ran’ betekent mogelijk ‘roof’ en de naam zou samenhangen met het feit dat Ran mensen met geweld tot zich neemt.

Hoewel Ran in geen enkel mythologisch eddagedicht en in geen enkele opsomming van Asinnen in Snorri's Edda voorkomt, wordt ze in andere poëzie regelmatig als godin van de zee genoemd en in verband gebracht met de verdronkenen.

In de Helgi-liederen is tot tweemaal toe sprake van schepen die aan Ran gegeven worden. In het gedicht Sonatorrek (Het verlies van de zonen) van Egil Skallagrimsson, een klacht over de dood van zijn twee zonen, van wie er één verdronken was, worden zowel Ran als AEgir aangeklaagd.

In een aantal strofen in de Friðþjófs saga (De saga van Fridthjof) heet de zee het ‘droevig bed van Ran’ en wordt Ran zelf ‘een zedeloze verzamelaarster van mannen’ genoemd. Bijzonder is de passage in de Eyrbyggja saga (De saga van de bewoners van Eyr), waarin verteld wordt dat een aantal verdronken mannen op hun eigen dodenmaal verschijnt. Ze worden met vreugde ontvangen, want, aldus Eyrb. s. 54: ‘in die tijd geloofde men dat verdronkenen goed door Ran ontvangen waren, als ze hun eigen dodenmaal bezochten’.

ran.txt · Last modified: by ruud