Týr
is de god achter de evengenaamde rune, ofwel de rune T (een pijl die naar boven wijst). De rune T hoort bij Týr en staat voor rechtvaardigheid, discipline, zelfopoffering en het is een krijgersrune.
Týr is de hemelvader en personifieert de zon. Daarnaast is Týr als god van het zwaard en de speer ook de oorlogsgod. Týr zorgt voor gerechtigheid, eer, moed en wijsheid in de strijd. Aangezien Týr voor gerechtigheid zorgt, is hij ook de god van het 'ding' (de germaanse volksvergadering).
Týr was rond het begin van onze jaartelling een van de voornaamste Germaanse goden, die in de Griekse mythologie vergeleken wordt met Zeus. Later -in de tijd van de Vikingen- is hij wat op de achtergrond geraakt. Odin werd de populairste en daarmee de belangrijkste god. Bij het einde der tijden (Ragnarok) zal Týr de hellehond Garmr doden.
Aangezien Týr ooit zo’n belangrijke god is geweest, is het waarschijnlijk dat hij de voortzetting is van een oudere Indogermaanse godheid. De samenhang met de godennamen Zeus en Dyaus en woorden als het Latijnse 'deus' en het Franse 'dieu' (voor 'god') is echter niet zo doorzichtig dat van een onmiddellijke verwantschap gesproken mag worden.
Edda
In de Edda vertelt Týr Thor over de ketel van Hymir en ze ontmoeten de grootmoeder van Tyr met negenhonderd hoofden. Beide worden eerst verborgen door de vrouw als Hymir thuiskomt en er volgt een feestmaal. Thor eet twee stieren. Hij moet echter de volgende dag voor voedsel zorgen en vangt met de kop van een os een draak (of slang). Dan moet Thor een beker breken, maar dit lukt niet. Na advies van de vrouw gooit hij de beker tegen het hoofd van de reus en dan breekt het voorwerp. Thor neemt samen met Tyr de ketel mee naar huis.